De Nobelprijs Het Nobelprijslogo

Linus Pauling (28 februari 1901- )*, de enige persoon die twee onverdeelde Nobelprijzen heeft gewonnen,1 werd geboren in Portland, Oregon, als zoon van een apotheker, Henry H.W. Pauling, en Lucy (Darling) Pauling. Hij ging naar de Washington High School in Portland, maar door een technische fout ontving hij zijn diploma pas in 1962, lang nadat hij in 1922 zijn bachelordiploma van het Oregon State College had behaald, in 1925 zijn doctorstitel van het California Institute of Technology, en eredoctoraten van universiteiten in zeven landen.

Met behulp van een beurs van de National Research Council in 1925-1926 en een beurs van de Guggenheim Foundation in 1926-1927, studeerde hij bij drie natuurkundigen: Arnold Sommerfeld in München, Erwin Schrodinger in Zürich, en Niels Bohr in Kopenhagen. Van 1927 tot 1964 was hij professor aan het California Institute of Technology, waar hij een reputatie opbouwde als begenadigd docent – welbespraakt, enthousiast, met een talent voor vereenvoudiging en een bereidheid tot controverse. Gedurende tweeëntwintig van die zevenendertig jaar was hij voorzitter van de afdeling scheikunde en chemische technologie en directeur van de chemielaboratoria Gates en Crellin.

Van 1963 tot 1967 was Pauling als onderzoekshoogleraar verbonden aan het Centrum voor de studie van democratische instellingen in Santa Barbara, Californië; van 1967 tot 1969 was hij hoogleraar scheikunde aan de Universiteit van Californië in San Diego; sinds 1969 maakt hij deel uit van de hooglerarenstaf van de Stanford University.

Vanaf zijn afstuderen tot halverwege de jaren dertig was Pauling vooral geïnteresseerd in fysische scheikunde, in het bijzonder in moleculaire ruimtelijke configuraties en hun relevantie voor moleculair gedrag. In 1939 publiceerde hij de resultaten van meer dan tien jaar onderzoek in The Nature of the Chemical Bond and the Structure of Molecules and Crystals. Toen hij in 1954 de Nobelprijs voor scheikunde won, werd hij genoemd “voor zijn onderzoek naar de aard van de chemische binding en de toepassing daarvan bij de opheldering van de structuur van complexe stoffen.”

Pauling’s belangstelling voor het “gedrag” van moleculen leidde hem van fysische scheikunde naar biologische scheikunde, van een absorptie in de architectuur van moleculen naar hun functioneren, vooral in het menselijk lichaam. Hij begon met proteïnen en hun hoofdbestanddelen, de aminozuren, die de “bouwstenen van het leven” worden genoemd. Hij bestudeerde zowel de abnormale als de normale structuur en creëerde zelfs abnormaliteiten om de effecten te kunnen waarnemen. Uit zijn schepping van synthetische antilichamen, die werden gevormd door moleculen van globuline in het bloed te veranderen, ontstond de ontwikkeling van een substituut voor bloedplasma.

In 1950 construeerde hij het eerste bevredigende model van een proteïnemolecuul, een ontdekking die implicaties heeft voor het begrip van de levende cel. Hij bestudeerde en publiceerde artikelen over de gevolgen van bepaalde afwijkingen van de bloedcellen, het verband tussen moleculaire afwijkingen en erfelijkheid, de mogelijke chemische basis van mentale retardatie, de werking van anesthetica. Met het oog op de toekomst zei hij in de laatste editie van The Nature of the Chemical Bond: “We kunnen ons afvragen wat de volgende stap zal zijn in de zoektocht naar een begrip van de aard van het leven. Ik denk dat het de opheldering zal zijn van de aard van de elektromagnetische verschijnselen die betrokken zijn bij mentale activiteit in relatie tot de moleculaire structuur van hersenweefsel. Ik geloof dat het denken, zowel bewust als onbewust, en het kortetermijngeheugen te maken hebben met elektromagnetische verschijnselen in de hersenen, in wisselwerking met de moleculaire (materiële) patronen van het langetermijngeheugen, verkregen door overerving of ervaring.”

Pauling’s laatste chemisch-medisch-nutritionele studie is gepubliceerd in een boek uit 1970, getiteld Vitamin C and the Common Cold, waarin hij beweert dat de gewone verkoudheid in de Verenigde Staten en sommige andere landen binnen een paar jaar bijna volledig kan worden bestreden, door verbetering van de voeding van het volk door een adequate inname van ascorbinezuur .2

Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam Pauling deel aan wetenschappelijke ondernemingen die van vitaal belang werden geacht voor de bescherming van het land. In het begin van de oorlog was hij adviseur bij de afdeling explosieven van de National Defense Research Commission en van 1945 tot 1946 lid van de Research Board for National Security. Voor zijn bijdragen, waaronder werk aan raketstuwstoffen, aan een indicator voor zuurstoftekort in de ruimte onder druk, zoals in onderzeeërs en vliegtuigen, en aan een vervanger voor menselijk serum in medische behandelingen, werd hem in 1948 de Presidentiële Medaille van Verdienste toegekend.

Het gebruik van de atoombom tegen het einde van de oorlog zette Pauling in een nieuwe richting. Als iemand die lang had gewerkt aan de structuur van moleculen, zowel normaal als abnormaal, aan hun gedrag in het menselijk lichaam, en aan hun overdracht door erfelijkheid, kreeg hij een onmiddellijke en intense belangstelling voor de potentieel kwaadaardige effecten van nucleaire fallout op de menselijke moleculaire structuren, alsmede voor de krachten van explosie en vuur die vrijkomen bij een ontploffende bom. Vanaf het einde van de veertiger jaren heeft Pauling, als lid van Einsteins Noodcomité van Atoomwetenschappers, dat actief was van 1946 tot 1950, als ondersteuner van vele vredesorganisaties, en als individu, een voortdurende campagne gevoerd tegen oorlog en het nu nucleaire karakter ervan. Hij berekende schattingen over de waarschijnlijke frequentie van aangeboren misvormingen bij toekomstige generaties als gevolg van koolstof 14 en radioactieve splijtingsproducten die vrijkwamen bij kernproeven, en maakte deze openbaar; protesteerde tegen de productie van de waterstofbom; pleitte voor het voorkomen van de verspreiding van kernwapens; bevorderde het verbod op proeven met kernwapens als een eerste stap in de richting van multilaterale ontwapening.3

In het begin van de jaren vijftig en opnieuw in het begin van de jaren zestig kreeg hij te maken met beschuldigingen pro-Sovjet of Communistisch te zijn, beschuldigingen die hij categorisch ontkende. Een paar jaar voor 1954 werd hij door het Ministerie van Buitenlandse Zaken beperkt in zijn mogelijkheden om een paspoort te verkrijgen.

In 1958, op 15 januari, overhandigde hij aan de VN de beroemde petitie die was ondertekend door 9.235 wetenschappers uit vele landen in de wereld die protesteerden tegen verdere kernproeven. In datzelfde jaar publiceerde hij No More War! een boek waarin hij niet alleen het verdere gebruik en het testen van kernwapens, maar ook de oorlog zelf afzweert, en waarin hij voorstelt binnen de structuur van de VN een Wereldorganisatie voor Vredesonderzoek op te richten om “het probleem van het bewaren van de vrede aan te pakken”.

Toen de Sovjet-Unie in augustus 1961 aankondigde de kernproeven te hervatten, nadat de kernmogendheden zich drie jaar lang vrijwillig van kernproeven hadden onthouden, verdubbelde Pauling zijn inspanningen om de Russische, Amerikaanse en Britse leiders te overtuigen van de noodzaak van een verdrag inzake het verbod op kernproeven. Hij sprak als een man van de wetenschap. Zijn intellectuele positie is samengevat in een mededeling gepubliceerd in Harper’s Magazine4 in 1963: “Ik heb gezegd dat mijn ethische principes mij tot de conclusie hebben gebracht dat het kwaad van de oorlog moet worden afgeschaft; maar mijn conclusie dat oorlog moet worden afgeschaft als het menselijk ras wil overleven, is niet gebaseerd op ethische principes, maar op mijn grondige en zorgvuldige analyse, met betrekking tot internationale zaken, van de feiten over de veranderingen die de laatste jaren in de wereld hebben plaatsgevonden, vooral met betrekking tot de aard van de oorlog.”

Het kernstopverdrag, dat alle kernproeven verbiedt, behalve ondergrondse, werd in juli 1963 ondertekend en trad op 10 oktober 1963 in werking, dezelfde dag waarop het Noorse Nobelcomité bekendmaakte dat de voor het jaar 1962 gereserveerde Vredesprijs aan Linus Pauling zou worden toegekend.

Selected Bibliography

The Atomic Age: Scientists in National and World Affairs, geredigeerd en met inleidingen door Morton Grodzins en Eugene Rabinowitch. New York, Basic Books, 1963. Deze verzameling artikelen uit het Bulletin van de Atomic Scientists, 1945-1962, bevat twee van Harry Kalven, Jr., over Pauling’s hoorzittingen in het Congres (pp. 466-493), alsmede enkele artikelen van diverse wetenschappers waarnaar in de presentatie en lezing wordt verwezen.

Biological and Environment Effects of Nuclear War. Hoorzittingen voor de Speciale Subcommissie Straling van de Gemengde Congrescommissie voor Atoomenergie, 22-26 juni 1959. Washington, D.C., U.S. Government Printing Office, 1959.

Current Biography Yearbook. New York, H.W. Wilson, 1964.

Gilpin, Robert, American Scientists and Nuclear Weapons Policy. Princeton, N.J., Princeton University Press, 1962.

Jacobson, Harold Karan, and Eric Stein, Diplomats, Scientists, and Politicians: De Verenigde Staten en de onderhandelingen over het verbod op kernproeven. Ann Arbor, University of Michigan Press, 1966.

Jungk, Robert, Brighter than a Thousand Suns: A Personal History of the Atomic Scientists , vertaald door James Cleugh. New York, Harcourt, Brace & World, 1958.

The Nature of Radioactive Fallout and Its Effects on Man. 2 delen. Hoorzitting voor de speciale Subcommissie straling van de Gemengde Congrescommissie voor Atoomenergie, 27 mei – 7 juni 1957. Washington, D.C., U.S. Government Printing Office, I957

Pauling, Linus, The Architecture of Molecules. Met Roger Hayward. San Francisco, Freeman, 1964.

* Linus Pauling overleed in 1994.

1. De Nobelprijs voor Scheikunde voor 1954 en de Vredesprijs voor 1962. Marie S. Curie won de prijs voor scheikunde in 1911 en deelde de prijs voor natuurkunde in 1903.

2. Het boek won de PBK Book Award in Literature of Science in I971.

3. Gedetailleerde verslagen van Pauling’s activiteiten in verband met het streven naar een internationale overeenkomst om kernproeven te verbieden worden gegeven in de presentatietoespraak en in de Nobellezing.

4. Harper’s Magazine, 226 (mei, 1963) 6.

Plaats een reactie