Untitled Document

Doopt als “John Rowlands, bastaard,” was Stanley de buitenechtelijke zoon van een boer die bekend stond als een dronkaard en een slagersdochter die als dienstmeisje werkte. Stanley heeft zijn vader nooit gekend en werd als baby aan de zorg van zijn grootvader en andere familieleden toevertrouwd. Hij bracht zijn vormende jaren (1847-1856) door in het St. Asaph’s Poor Law Union Workhouse, waar hij leerde lezen, schrijven en tekenen, en een respect verwierf voor het gezag dat met lijfstraffen werd uitgeoefend.

Aan het eind van 1857 verscheepte hij als scheepsjongen aan boord van het Amerikaanse paketschip Windermere naar New Orleans. Daar raakte hij bevriend met en werd hij officieus geadopteerd door een handelsagent genaamd Henry Hope Stanley. De tiener deed wat zakenervaring op en werd later winkelbediende in Cypress Bend, Arkansas. (Een aanval van malaria daar heeft hem waarschijnlijk genezen van ernstigere gevolgen van de ziekte in Afrika). Bij het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog werd hij onder druk gezet om zich aan te sluiten bij een confederaal regiment vrijwilligers, de Dixie Greys, en nam met hen deel aan de Slag bij Shiloh (1862) in Tennessee. Stanley werd gevangen genomen door de troepen van de Unie, maar verzekerde zich van zijn vrijlating door trouw te zweren aan het Noorden en een nieuw blauw uniform aan te trekken. Dysenterie weerhield hem van verdere actieve militaire dienst.

Stanley’s journalistieke carrière begon aan boord van het oorlogsschip Minnesota van de Unie voor de kust van Noord-Carolina in januari 1865, toen hij een ooggetuigenverslag schreef van het meedogenloze bombardement van het schip op Fort Fisher voor noordelijke kranten. In 1867 was hij speciaal correspondent voor de Missouri Democrat, waar hij verslag deed van de door hem bekritiseerde westelijke campagne van generaal-majoor Winfield Scott Hancock tegen de Indianen, en van een intrigerend personage dat bekend stond onder de naam Wild Bill Hickok. Stanley’s berichten werden gepubliceerd in kranten als de New York Herald, die schreeuwden om nieuws over het grensgebied. Later dat jaar stuurde James Gordon Bennett Jr., redacteur van de Herald, Stanley op proef als exclusieve verslaggever om de Britse redding van gevangen missionarissen en gezanten in Abessinië (Ethiopië) te verslaan. Stanley’s succesvolle primeur voor zijn New Yorkse baas bezorgde hem een vaste aanstelling bij de krant als buitenlandcorrespondent.

Nadat hij in Parijs persoonlijk instructies van Bennett had gekregen, moest Stanley eerst de opening van het Suezkanaal verslaan en vervolgens verslag doen van andere gebeurtenissen in de Krim, Odessa, Tiflis, Teheran, en India. Uiteindelijk landde hij op 6 januari 1871 in Zanzibar om de zoektocht te beginnen naar Dr. David Livingstone, de Schotse missionaris en ontdekkingsreiziger wiens verblijfplaats in Centraal-Afrika een kwestie van internationale bezorgdheid was geworden sinds zijn laatste brief van 30 mei 1869.

Binnen een maand had de beginnende ontdekkingsreiziger zijn expeditie met het beste van alles uitgerust. Hij bereidde zich voor op bijna elke eventualiteit – behalve mislukking. Hij verdeelde zijn mannen in vijf karavanen en stuurde ze uit op een gespreid schema. Door koortsaanvallen, vijandige ontmoetingen en de dood van twee van zijn karavaanleiders, sjokte Stanley naar Ujiji aan de oever van het Tanganyikameer, waar volgens de geruchten een zieke en zwakke oudere blanke man verbleef. De reis duurde 236 dagen. Op de ochtend van 3 november, met een Amerikaanse vlag wapperend aan een paal, leidde Stanley zijn resterende vierenvijftig mannen een berg af in de richting van een meer en zijn historische ontmoeting met Dr. Livingstone.

Het duurde acht maanden voordat Stanley’s bericht over de gebeurtenis per bode de kust bereikte. Van Zanzibar reisde het naar Bombay, waar het werd getelegrafeerd naar Londen, en vervolgens doorgestuurd naar New York. Op 2 juli 1872 berichtte de New York Herald op de voorpagina de wereld dat Livingstone was gevonden. Met Stanley’s zorg en aandacht kwam Livingstone weer op krachten, en het paar bracht vier maanden samen door, bijna als vader en zoon.

Stanley keerde terug naar Europa en werd als held onthaald, hoewel hij te kampen kreeg met beschuldigingen dat de brieven en dagboeken van Livingstone die hij terugbracht vervalsingen waren; leden van de Royal Geographical Society wilden de Amerikaan die “hun man” in Afrika had gevonden negeren. Maar hij ontving de dankbaarheid van Livingstone’s familie en officiële dank van Koningin Victoria. Het publiek had grote trek in zijn gepubliceerde verhaal. Toen in 1874 de dood van Livingstone bekend werd, stuurden de New York Herald en de Londense Daily Telegraph Stanley gezamenlijk terug naar Afrika als “ambassadeur van twee grote mogendheden”. Onder leiding van een “leger van vrede en licht” zou hij de resterende problemen van de geografie van Centraal-Afrika oplossen en de schuilplaatsen van slavenhandelaren onderzoeken en rapporteren

Zanzibar. Oostkust Afrika . 11 november 1874

Emotionele brief geschreven door Stanley aan zijn Amerikaanse uitgever, J. Blair Scribner, aan de vooravond van zijn tweede expeditie “door het donkere continent.” Ondanks zijn twijfels over Afrika en de gevaren ervan, had Stanley het mis over zijn vooruitzichten: hij zou nog dertig jaar leven, zijn New Yorkse “collega” Blair, slechts vijf.

Geïndexeerde kabinetkaartfoto van Henry Morton Stanley met Kalulu, de Afrikaanse jongen die hij “adopteerde” als zijn wapendrager en bediende. In 1877 doopte Stanley de plek waar de jongen was gestorven aan de Congo-rivier Kalulu Falls. Het blijft een van de weinige plaatsnamen van Stanley die niet is veranderd.

Teruggekeerd in Zanzibar in september 1874, begon Stanley snel met de organisatie van zijn expeditie. De stoet die op 17 november 1874 vanuit Bagamoyo (Tanzania) vertrok, strekte zich uit over meer dan een halve mijl en omvatte tientallen mannen die delen droegen van de Lady Alice, de boot genoemd naar zijn zeventienjarige verloofde, waarmee Stanley de Victoria- en Tanganyikameren en Livingstone’s Lualaba-rivier wilde verkennen. Gedurende de volgende twee en een half jaar zou de expeditie worstelen met temperaturen die opliepen tot 138 graden; de machtige keizer Mtesa van Oeganda en het Wanyoro opperhoofd Mirambo zouden een groot deel van Stanley’s tijd in beslag nemen en zijn diplomatieke vaardigheden op de proef stellen; hij zou moeten onderhandelen met een beruchte Arabische ivoor- en slavenhandelaar genaamd Tippu-Tib voor een veilige doortocht van zijn mannen door het grote regenwoud; en hij en zijn mannen zouden meer dan dertig schermutselingen en gevechten te land en te water uitvechten tegen vijandige stammen.

De geografische prijzen die Stanley op deze expeditie behaalde, waren ongeëvenaard. (Zie de twee kaarten van Stanley.) Hij spendeerde bijna twee maanden aan het omzeilen van het Victoriameer, bevestigde dat de enige uitmonding zich bij de Ripon watervallen bevond en stelde daarmee, zo dacht hij, voorgoed de bron van de Nijl vast. Hij verkende het Albertmeer en trok dan naar het zuiden en het westen naar het Tanganyikameer, dat hij ook omzeilde en waarvan hij bewees dat het geen verbinding had met het Albertmeer. Stanley loste vervolgens het resterende geografische raadsel op door vast te stellen dat de Lualaba geen deel uitmaakte van de rivieren Niger of Nijl, maar uiteindelijk uitmondde in de Kongo. Hij bereikte de Atlantische Oceaan op 9 augustus 1877, na een reis van meer dan zevenduizend mijl, in opperste uitputting. Terug in Londen vernam hij dat Alice niet op hem had gewacht.

Tussen 1879 en 1884 hielp Stanley in het geheim koning Leopold II van België bij het oprichten en “claimen” van de Onafhankelijke Congostaat door langs de Congorivier handelsstations te vestigen (Vivi, Léopoldville, Kinshassa). (De Belgische overheersing zou gekenmerkt worden door een ongelooflijke brutaliteit en de uitbuiting van de inheemse bevolking om ivoor en rubber te winnen). Omdat hij zijn mannen leerde hoe ze doeltreffend met een voorhamer moesten omgaan, kreeg Stanley van de Vivi-opperhoofden de titel van Bula Matari, “rotsenbreker”. De ontdekkingsreiziger zou nog een laatste belangrijke missie in Afrika uitvoeren: de redding van Emin Pasja, de in Duitsland geboren arts en natuuronderzoeker, die toen gouverneur was van de Egyptische provincie Equatoria in Zuid-Soedan en werd belegerd door Soedanezen onder leiding van een islamitische mysticus die bekend stond als de Mahdi. Deze expeditie van 1887-1889 trok de Kongo op, door onontgonnen oerwouden, naar het Albertmeer, vervolgens naar het zuiden, rond het Victoriameer en verder naar de kust met de met tegenzin geredde Emin Pasja, om te eindigen in Zanzibar. Te midden van talrijke rampen en veel verliezen aan mensenlevens ontdekte Stanley het Edwardmeer en de met sneeuw bedekte Ruwenzori bergen, Ptolemeus’ “Maanbergen”.

In 1895 werd Stanley gekozen tot lid van het Lagerhuis en later trok hij zich met zijn vrouw, Dolly Tennant, terug op een landgoed in Surrey, waar hij op drieënzestigjarige leeftijd overleed. Stanley’s wens om naast Dr. Livingstone te rusten in Westminster Abbey werd gedwarsboomd door de deken van de kerk, die vond dat een dergelijke eer niet gepast was voor een man die “bloed aan zijn handen had”. In oktober 2002 vond in Londen een veiling plaats van de enorme verzameling artefacten, voorwerpen en boeken van de ontdekkingsreiziger. Het meest verkochte voorwerp was, niet onverwacht, de met water besmeurde kaart met zijn handgeschreven aantekeningen, die Stanley had gebruikt op zijn expeditie van 1874-1877 door het hart van Afrika en over de onbekende Congorivier.

Plaats een reactie